|
Laatste wijziging website:
5 februari 2012
|
|
| |
De Duitse Herdershond
De Duitse Herder
De Duitse Herdershond is van origine een herdershond voor het hoeden van schapen. In 1899 besloot de Duitse officier Max von Stephanitz, oprichter van de Verein für Deutsche Schäferhunde (S.V.), met deze honden te gaan fokken. Zijn motto was: 'geschiktheid voor het werk is het enige criterium voor schoonheid'. Met dit kynologische concept, dat voortbouwde op de geweldige werkeigenschappen van dit ras, legde hij de basis voor het meest geliefde ras ter wereld. Ook in Nederland is het ras enorm populair: sinds 1999 staat de Duitse herder op nummer 2 van de Top 25 ingeschreven rashonden in het Nederlands Honden Stamboek (NHSB).
De Duitse Herder is een middelgrote hond met een draverslichaam. Hij is stevig gebouwd, compact, snel en behendig, en heeft een krachtig en goed gespierd lichaam. Het is een echte draver met soepele en ruime bewegingen. Qua karakter is de Duitse Herder een eerlijke, temperamentvolle en volgzame hond, die snel leert en graag werkt voor zijn geleider. Hij is bovendien intelligent, goedaardig, zelfverzekerd, moedig, alert en waakzaam.
Het gebruik is zeer veelzijdig: hij wordt ingezet als herdershond, lawinehond, blindengeleidehond, speurhond, waak- en verdedigingshond, en politiehond. De Duitse Herder is daarnaast geschikt als gezinshond. Het is wel belangrijk dat de hond goed gesocialiseerd wordt en een consequente opvoeding krijgt. Hij vereist zeer veel lichaamsbeweging en gehoorzaamheidsoefeningen om hem mentaal aan het werk te houden. De hond moet iets te doen hebben, want verveling kan omslaan in ongewenst gedrag.
Helaas wordt de Duitse Herdershond nog vaak gezien als een agressieve hond. Dit berust op een vooroordeel: een goed gefokte en opgevoede hond is lief en aanhankelijk aan het gezin en de mensen die hij goed kent maar afstandelijker tegen onbekenden. Hij zal wel respect tonen voor bezoekers maar het gezin beschermen en zijn thuis bewaken tegen indringers van welke aard dan ook.
Uiterlijke raskenmerken:
(nb. samenvatting van de rasstandaard)
| Schofthoogte |
Reuen 60-65 cm, teven 55-60 cm. |
|
| Gewicht |
Reuen 30-40 kg, teven 22-32 kg. |
| Vacht en beharing |
Stokharig met onderwol.
Het dekhaar moet dicht, hard en vast aanliggend zijn. Het haar is kort aan de kop, binnenzijde van de oren, aan de voorzijde van de ledematen, op poten en tenen; het haar is wat langer en sterker behaard aan de hals en aan de achterzijde van de benen tot aan het polsgewricht. |
| Kleur |
Zwart met roodbruine, bruine, gele tot helgrauwe aftekening, éénkleurig zwart en (wolfs)grauw, bij grauw donker gewolkt, zwart zadel en masker. De onderwol vertoont een lichte grauwe tint.
Onopvallende, kleine witte borstvlekken en zeer lichte binnenzijde zijn toegelaten maar niet gewenst.
De kleur wit is niet toegestaan. |
| Kop en hals |
De kop is lang en wigvormig met een stevige en krachtige snuit. Boven en onderkaak zijn krachtig ontwikkeld. De neusrug is recht en de lippen zijn strak, goed sluitend en van donkere kleur. De neus moet zwart zijn.
De ogen zijn middelgroot, amandelvormig, iets schuin liggend en donker van kleur. Middelgrote puntige, staande oren, die spits uitlopen en met de oorschelp naar voren gericht. De hals is krachtig, goed bespierd en zonder losse keelhuid. |
| Gebit |
Het gebit moet krachtig, gezond en volledig zijn (42 tanden volgens de tandformule). Hij heeft een schaargebit, dat wil zeggen dat de snijtanden als een schaar in elkaar moeten grijpen, waarbij de snijtanden van de bovenkaak als een schaar over die van de onderkaak snijden. De kaakbeenderen moeten krachtig ontwikkeld zijn opdat de tanden diep in het tandbeen ingeworteld kunnen zijn. |
| Lichaam en ledematen |
De bovenbelijning verloopt vanaf de halsaanzet over een heel licht afvallende rug tot aan de licht afvallende croupe. De schoft is goed ontwikkeld. De rug is vast, krachtig en goed bespierd. De lendenen zijn breed, krachtig gevormd en goed bespierd. De croupe gaat zonder onderbreking van de bovenbelijning over in de staartaanzet. De staart is lang, aan de onderzijde iets langer behaard en wordt in een licht afhangende boog gedragen. De borst moet matig breed zijn, de onderborst zo lang mogelijk en uitgesproken. De ribben tonen een matige welving.
De voorste ledematen en onderarmen zijn recht en parallel. Schouderblad en opperarmbeen zijn van gelijke lengte, krachtig bespierd en vast tegen het lichaam gelegen. De ellebogen mogen niet uitgedraaid worden of naar binnen gedrukt zijn. De achterpoten zijn licht terugstaand geplaatst, de achterste ledematen staan van achteren bezien parallel. Boven- en onderschenkel zijn van ongeveer gelijke lengte. De dijen zijn krachtig en goed gespierd. De spronggewrichten zijn krachtig gevormd. De achtermiddenvoet staat loodrecht onder het spronggewricht.
De poten zijn rond, goed gesloten en licht gewelfd. De voetzolen hard maar niet bros en donker gekleurd. De nagels zijn krachtig, gewelfd en eveneens van donkere kleur. |
| Bijzonderheden |
- Gezondheid: Fokdieren (en vaak ook sportdieren) worden onderzocht op het voorkomen van heupdysplasie (HD) en elleboogdysplasie (ED).
- Verzorging: Regelmatig kammen en borstelen, tijdens de rui is een 'herderhark' handig.
|
|
| |
|